
Onderzoeksmethoden |
Jeroen heeft van zijn zestiende tot zijn negentiende met veel plezier en grote inzet in een tomatenkwekerij gewerkt. Tot zijn verbazing wordt hij na deze drie jaar ontslagen. Jeroens werkgever is namelijk verplicht om hem na drie jaar in dienst met een flexcontract een vast contract aan te bieden. 
Jeroen praat veel over de gang van zaken rond zijn ontslag met oud-collega's. Een paar oudere collega's met een vast contract zijn bang vervangen te worden door nieuwe flexwerkers. Flexwerkers die al langer in dienst zijn, vrezen ook voor hun ontslag. Daarentegen zijn er jongere werknemers die het niets kan schelen, zij werken voor het geld en malen niet om de zekerheid van een vast contract.
Na deze gesprekken heeft Jeroen allerlei vragen. Hij vraagt zich in het bijzonder af wat de overwegingen van werkgevers zijn om werknemers flexibele of vaste contracten aan te bieden en hoe verschillende werknemers door de genomen beslissing worden getroffen. Om antwoord op zijn vragen te vinden gaat Jeroen op zoek naar informatie op het internet, in kranten en in tijdschriften.
Op het internet staat dat bedrijven met flexibele contracten fluctuaties in de benodigde arbeidskracht beter kunnen opvangen. Dit heeft een positieve invloed op de economie: doordat de arbeidsmarkt dynamischer is, wordt er geen geld verspild aan overbodige werknemers en blijft er meer geld over voor investeringen. Hoeveel geld zou een specifiek bedrijf besparen door flexwerkers te gebruiken in plaats van werknemers met vaste contracten? Jeroen denkt dat flexibele contracten behalve voordelen waarschijnlijk ook nadelen hebben voor werkgevers. Hebben vaste werknemers niet meer vaardigheden waardoor ze meer werk kunnen verzetten dan flexwerkers? En zijn vaste werknemers niet loyaler aan hun werkgever waardoor ze zich minder vaak ziek melden dan flexwerkers? Wat voor band hebben medewerkers met een flexcontract en een vast contract met een bedrijf? Daarnaast denkt Jeroen dat bedrijven in bepaalde sectoren meer voordeel van flexibilisering van arbeid hebben dan bedrijven in andere sectoren. Loont flexibilisering van de arbeid meer in bedrijfstakken met relatief simpel werk dan in bedrijfstakken waar meer scholing is vereist? En profiteren seizoensbedrijven meer van de flexibilisering van arbeid dan andere bedrijven? Profiteren bedrijven die te maken hebben met een schommelende vraag naar hun product, meer van flexibilisering van arbeid dan andere bedrijven?
Volgens Jeroen is flexwerk vooral problematisch voor kostwinners. Vinden getrouwde mannen (die vaak kostwinner zijn) flexwerk problematischer dan getrouwde vrouwen? Is het verder mogelijk dat bepaalde groepen in de samenleving meer problemen hebben een nieuwe baan te vinden dan andere groepen, waardoor flexcontracten voor hen problematischer zijn? Hoe lang duurt het voor 50+'ers een baan hebben gevonden na hun ontslag in vergelijking met werknemers onder de 50? Zijn niet-westerse allochtonen door discriminatie op de arbeidsmarkt langer werkloos dan autochtonen? Worden sollicitanten met buitenlandse namen op basis van hun sollicitatiebrief minder vaak uitgenodigd voor een gesprek dan sollicitanten (met dezelfde kwaliteiten) met autochtone namen? En worden sollicitanten uit het buitenland, bijvoorbeeld uit Oost-Europa, eerder aangenomen omdat zij bereid zijn voor een lager loon te werken? Worden Europeanen of niet-Europeanen vaker aangenomen? Hebben bepaalde groepen allochtonen een voorkeur voor het werken met flexcontracten omdat zij zich liever niet binden aan een werkgever? Duurt het langer voordat ontslagen werknemers die het Nederlands niet goed beheersen een baan vinden dan ontslagen werknemers met een goede Nederlandse taalvaardigheid? En vinden hoger opgeleiden eerder een baan na hun ontslag dan lager opgeleiden? Behalve dat het problematisch kan zijn om een nieuwe baan te vinden, is het ontslag zelf waarschijnlijk ook problematisch. Hoe ervaren werknemers een ontslag? En verschilt dit voor jonge en oude, allochtone en autochtone, kostwinners en bijverdieners, mannelijke en vrouwelijke, en laagopgeleide en hoogopgeleide werknemers?
In de krant heeft Jeroen gelezen dat er in Denemarken veel meer met flexibele contracten wordt gewerkt dan in Nederland. Denemarken kent een systeem van flexicurity waarbij de uitkeringen hoog zijn na een ontslag en waarbij hulp wordt geboden om een nieuwe baan te vinden (door middel van bijvoorbeeld bijscholing). Zouden werknemers in landen met hoge uitkeringen na ontslag eerder bereid zijn met een flexcontract akkoord te gaan dan werknemers in landen met lagere uitkeringen na ontslag? En zijn werknemers eerder bereid akkoord te gaan met flexcontracten wanneer zij zeker weten dat zij hulp krijgen bij het vinden van een baan dan wanneer dit niet zo is? De keerzijde van hoge uitkeringen en hulp bij het vinden van werk is dat burgers meer belasting moeten betalen. Zijn burgers, met name werkgevers, bereid meer belasting te betalen zodat werknemers een hogere uitkering kunnen krijgen na een eventueel ontslag? De Deense overheid ziet er streng op toe dat er geen discriminatie plaatsvindt op de arbeidsmarkt. Vergroot dit de bereidheid van werknemers om flexcontracten aan te gaan? Jeroen vindt het interessant om niet alleen iedere maatregel afzonderlijk te bekijken, maar deze ook met elkaar te vergelijken. Welke maatregel leidt tot de meest positieve houding van werknemers over flexwerk? Hoe staan werkgevers tegenover de verschillende maatregelen? En wanneer de maatregelen allemaal worden doorgevoerd, hoeveel meer flexcontracten worden er dan afgesloten?
Jeroens ontslag in de kwekerij heeft hem aan het denken gezet over wat hij de rest van zijn leven wil doen. Hij is gegrepen door de manier waarop de arbeidsmarkt werkt en wil er meer over weten. Daarom heeft hij besloten verder te studeren in plaats van verder te werken.
Madsen, P.K. (2002). Security and flexibility: friends or foes? Some observations from the case of Denmark. Symposium France ILO, 49-62.
Oorschot, W. van (2003). Dutch flexicurity policy. Flexibility and security for Dutch workers? International Research Conference on Social Security, International Social Security Association, May 5-7, Antwerp.
Need, A. & Steijn, A.J. (2003). Loopbaaneffecten van flexibele arbeid. Tijdschrift voor Arbeidsvraagstukken, 19(2), 110-121.